Musea

Museum van Levende Nederlandsche Meesters (1838-1885)

Ontstaansgeschiedenis

Koning Lodewijk Napoleon was nauw betrokken bij de aankoop van eigentijdse kunst voor de Rijkscollectie. In zijn korte regeerperiode is het aantal eigentijdse schilderijen uitgebreid van 4 naar 52 stuks. Hij was het ook die, al vele jaren voor de oprichting van het Museum van Levende Nederlandsche Meesters, hiertoe een eerste aanzet had gegeven.
Rond de jaarwisseling 1808-1809 gaf hij te kennen dat hij de eigentijdse schilderijen uit de rijkscollectie van het Amsterdamse Koninklijk Museum (het latere Rijksmuseum), naar Paviljoen Welgelegen wilde laten komen. Hij was kunstminnend en vermoed wordt dat hij het Paviljoen enkel en alleen voor zijn plezier van moderne kunst wilde voorzien.

Oude en moderne kunst scheiden?

Cornelis Apostool, de eerste officiële directeur van het Koninklijk Museum, zette zich in voor het tentoonstellen van hedendaagse kunst. In 1828 stelde hij voor om in het Trippenhuis in Amsterdam alsnog een aparte zaal in te richten voor de moderne collectie. Dit ging niet door, maar Apostools mening over de noodzaak van het tonen van eigentijdse kunst werd inmiddels wel door anderen gedeeld.
In datzelfde jaar werd naar een nieuwe ruimte voor deze schilderijen gezocht. Men gaf er duidelijk de voorkeur aan er een apart museum voor in te richten. De reden hiervoor is dat het toen gebruikelijk was om oude en moderne kunst gescheiden van elkaar tentoon te stellen.
Deze gedachte kwam voort uit de opvatting dat de moderne kunst steeds meer was gaan verschillen van de oude kunst. Dit had in het buitenland al geleid tot de oprichting van musea voor moderne en/of hedendaagse kunst, waarvan het Parijse Musée Royal de Luxembourg, destiné aux artistes vivants, dat zijn deuren in 1818 opende, het belangrijkste voorbeeld was.
Uiteindelijk besloot men in het jaar 1838 een Nederlandse tegenhanger van dit Franse museum in Paviljoen Welgelegen op te zetten. Op 21 november 1838 werd in het Koninklijk Besluit nr. 114 door Koning Willem I bepaald dat het Paviljoen een kunstgalerij voor schilderijen van levende Nederlandse kunstenaars zou worden.

Bronvermelding: scriptie van Murielle van der Meer (november 2012) over Museum van Levende Nederlandsche Meesters

De collectie

De collectie van het Museum van Levende Nederlandsche Meesters was de eerste die in het Paviljoen een onderkomen vond. Daarmee ontstond in Haarlem het eerste museum van hedendaagse kunst in ons land.
Het verzamelbeleid had een nationaal karakter en er waren drie aanschafcriteria; eigentijds werk, van een Noord- of Zuid-Nederlandse meester, nog levend of in de 19e eeuw overleden. Op kwaliteit werd niet gelet, men schafte zoveel mogelijk aan.
Het pronkstuk van de verzameling was het enorme werk van J.W. Pieneman, ‘De Slag bij Waterloo’, dat de ereplaats had in de grote middenzaal. Dit schilderij hangt nu in het Rijksmuseum in Amsterdam.

Koloniaal Museum (1871-1923)

In de tweede helft van de 19e eeuw werd de behoefte aan kennisvergroting steeds meer voelbaar. In 1871 werd het Koloniaal Museum in de zalen van de zijvleugel van het Paviljoen geopend. F.W. van Eeden (vader van Frederik van Eeden) werd belast met het verzamelen van een begincollectie.

Indeling en collectie

Het museum bestond uit een reeks zalen op de begane grond en op de eerste verdieping van de Dreefvleugel. Er waren ook een bibliotheek met leeszaal, een laboratorium(er werkten wetenschappers in het museum) en diverse werkruimten. Het doel van de collectie was om een levendig en systematisch beeld te geven van grondstoffen, natuurvoortbrengselen en producten uit de overzeese gebieden Oost- en West-Indië.

De collectie bestond onder andere uit: bamboe- en rotanmeubelen, een opgezette koningstijger van Sumatra, modellen van Indische vaartuigen en woningen, Indische kunst en nijverheid.

Maar het was een tijd van economische teruggang, wat direct zijn weerslag had op het aankoopbeleid. De schilderijenverzameling werd daardoor helaas amateuristisch beheerd.
Verder streefde men in het Koloniaal Museum naar een optimale en vooral zeer uitgebreide informatievoorziening. Als je de rijstcultuur wilde tonen, dan hoorden daarbij: Rijstplanten, Rijst in de bolster, Gepelde rijst, Een model van de rijstschuur, Gereedschappen en afbeeldingen
In 1923 werd het museum overgebracht naar het nieuwe Koloniaal Museum (Tropen Instituut) in Amsterdam.

Het Museum van Kunstnijverheid (1877-1926)

In de kamers op de bovenverdieping van de zijvleugel van het paviljoen was het Kunstnijverheidsmuseum ingericht. Na het vertrek in 1885 van het Rijksmuseum voor Levende Nederlandse Meesters, werden ook de grote bovenzalen door dit museum in gebruik genomen.

Het doel van het Museum van Kunstnijverheid was het bevorderen van de kunstnijverheid en de kunstzin in Nederland. De raad van beheer omschreef het als volgt: ‘daarmee wordt bedoeld: de smaakontwikkeling bij het gehele volk; onze werklieden hebben behoefte aan kunstzin in het algemeen

Het doel van het Museum van Kunstnijverheid was het bevorderen van de kunstnijverheid en de kunstzin in Nederland. De raad van beheer omschreef het als volgt: ‘daarmee wordt bedoeld: de smaakontwikkeling bij het gehele volk; onze werklieden hebben behoefte aan kunstzin in het algemeen.’

Het museum probeerde dit doel te bereiken door:

  • Belangstellenden en beoefenaars van decoratieve kunsten en ambachten toegang te geven tot een vaste verzameling onderwerpen
  • Door de verkoop van afgietsels van kunstvoorwerpen
  • Het houden van tentoonstellingen en lezingen
  • Het uitlenen van boek- en plaatwerken
  • Het geven van praktisch onderwijs aan scholen

Het museum had een algemeen karakter.

Er hingen voorbeelden van Egyptische en Perzische kunst; een groot deel van de eerste zaal was ingenomen door Griekse en Romeinse sculpturen. De hoge middenzaal bevatte een overdaad aan stijlen; Arabische en Moorse ornamenten, Romaanse en Gotische kunst, voorbeelden uit de Italiaanse, Franse, Duitse, Vlaamse en Nederlandse renaissance. De derde zaal was geweid aan ornamenten, huisraad (voornamelijk beschilderd Hindelopen) en tapijten. Zoals in bijna alle kunstnijverheidsmusea uit de tweede helft van de 19e eeuw, had ook Haarlem geen geld om originele voorwerpen te kopen. Daarom waren het veelal reproducties die te zien waren.
In de kleinere zaaltjes waren de collecties metaalwerk, textiel, glas, aardewerk, hout en leder ondergebracht. Deze verzamelingen omvatten voornamelijk originele stukken.

Museumfunctie van Paviljoen Welgelegen

Paviljoen Welgelegen heeft tegenwoordig, naast haar hoofdfunctie als Provinciehuis Noord-Holland, ook een functie als ‘museum’ met twee exposities, ‘stijlkamers’ en een prachtige tuin met beelden. Deze beelden vormen een onderdeel van de route ‘Provinciehuis’ van “Haarlems Beeld”. Deze route voert u langs de beelden in de tuin maar ook langs de beelden in de omgeving. De ‘Stijlkamers’ en de andere bijzondere ruimtes in het provinciehuis kunt u alleen onder begeleiding van een gids bezoeken.

De exposities zijn tijdens kantooruren te bezichtigen. Wilt u de uitnodigingen ontvangen kunt u dit mailen aan : memels@noord-holland.nl. en via de facebook pagina Dreef expo kunt u zelf kijken wat er te zien is.

Paviljoen Welgelegen heeft tegenwoordig, naast haar hoofdfunctie als Provinciehuis Noord-Holland, ook een functie als ‘museum’ met exposities en een prachtige tuin met beelden.